
Geschreven door Kirsten Hogendoorn, Expert bij Personal Body Plan.
Vetpercentage wordt vaak gezien als een betere maat voor progressie dan gewicht, omdat het onderscheid maakt tussen vetmassa en vetvrije massa. Toch is ook vetpercentage geen perfecte weergave van gezondheid of resultaat. Meetmethoden bevatten foutmarges en geven geen inzicht in factoren zoals vetverdeling, spiermassa of context.
Lichaamssamenstelling speelt wel een belangrijke rol voor gezondheid: een hogere vetmassa, vooral visceraal vet, hangt samen met negatieve metabole effecten, terwijl spiermassa juist beschermend werkt .
De waarde van vetpercentage zit daarom niet in absolute precisie, maar in het volgen van trends binnen dezelfde meetmethode en context. Progressie ontstaat niet door één getal te optimaliseren, maar door het samenspel van fysiologie, gedrag en leefomgeving.
Wie gezonder wil leven, komt al snel uit bij cijfers. Gewicht, BMI, vetpercentage. Ze geven houvast. Ze maken iets abstracts tastbaar en geven het gevoel dat je grip hebt op wat er gebeurt in je lichaam.
Maar dat gevoel kan misleidend zijn.
Niet omdat die getallen niets betekenen, maar omdat ze vaak worden losgetrokken van de context waarin ze ontstaan. Of het nu gaat om gewicht, BMI of vetpercentage: ze beschrijven een uitkomst, maar niet het proces dat daartoe leidt.
Vanuit een bio psychosociaal perspectief is dat ook precies wat je zou verwachten. Lichaamssamenstelling ontstaat niet uit één variabele, maar uit de voortdurende interactie tussen gedrag, fysiologie en omgeving.
Voordat we naar vetpercentage kijken, is het belangrijk om één stap terug te doen.
De meeste mensen beginnen namelijk bij gewicht. De weegschaal is vaak het eerste referentiepunt wanneer iemand gezonder wil leven of wil afvallen.
Maar gewicht op zichzelf zegt weinig over waaruit dat gewicht bestaat.
Vetpercentage lijkt vervolgens een logisch vervolg, omdat het probeert onderscheid te maken binnen dat totale gewicht.
Vetpercentage lijkt een objectieve maat. Een percentage, een getal. Maar in de praktijk staat het zelden alleen voor fysiologie.
Voor veel mensen staat een lager vetpercentage voor controle, discipline of gezondheid. Het krijgt daarmee een betekenis die verder gaat dan wat het biologisch meet.
Dat maakt het begrijpelijk dat mensen er waarde aan hechten. Maar het maakt het ook kwetsbaar voor verkeerde interpretaties. Een lager vetpercentage is namelijk niet automatisch gezonder, en een hoger vetpercentage niet automatisch problematisch.
De relatie tussen vetmassa en gezondheid is bovendien niet lineair. Zowel zeer lage als zeer hoge vetpercentages hangen samen met verhoogde gezondheidsrisico’s, waarbij het laagste risico meestal in een middengebied ligt [3].
Wat “gezond” is, hangt dus af van context, niet alleen van het getal.
BMI is een van de meest gebruikte maten binnen de gezondheidszorg. Het wordt berekend uit gewicht en lengte en is ontwikkeld om patronen in grote groepen te analyseren.
Op populatieniveau werkt dat redelijk goed. Grote analyses laten zien dat BMI samenhangt met risico op ziekte en sterfte, met verhoogde risico’s bij zowel lage als hoge waarden [1].
Maar op individueel niveau mist BMI essentiële informatie.
Het maakt geen onderscheid tussen vet- en spiermassa. Het zegt niets over vetverdeling. En het houdt geen rekening met gedrag, slaap of stress.
Twee mensen met dezelfde BMI kunnen fysiologisch totaal verschillend zijn. Dat maakt BMI bruikbaar als grove screening, maar beperkt als individueel kompas.
Vanuit een meer functionele benadering van gezondheid wordt dat verschil nog duidelijker.
BMI zegt namelijk niets over hoe iemand functioneert. Niet over hoeveel energie iemand ervaart gedurende de dag. Niet over herstel na inspanning. Niet over belastbaarheid of veerkracht. En ook niet over de mate waarin iemand in staat is om gedrag vol te houden binnen zijn of haar context.
Gezondheid wordt in moderne modellen juist steeds meer gezien als het vermogen om je aan te passen en regie te voeren binnen fysieke, mentale en sociale uitdagingen [13]. Vanuit dat perspectief is een statische maat zoals BMI per definitie beperkt. Het geeft een momentopname van gewicht ten opzichte van lengte, maar zegt niets over hoe stabiel of duurzaam die situatie is.
Daar komt bij dat BMI geen rekening houdt met hoe dat gewicht tot stand komt. Twee mensen met dezelfde BMI kunnen een totaal verschillend leefpatroon hebben. De één slaapt goed, beweegt regelmatig en heeft stabiel gedrag. De ander ervaart chronische stress, slaapt slecht en heeft een grillig eetpatroon. Op papier lijken ze gelijk, maar functioneel zijn ze dat niet.
Ook in relatie tot vitaliteit schiet BMI tekort. Vitaliteit gaat niet alleen over lichaamsgewicht of lichaamssamenstelling, maar over de mate waarin iemand energie ervaart, kan deelnemen aan het dagelijks leven en kan herstellen van belasting. Dat zijn processen die sterk beïnvloed worden door gedrag en context, en die niet zichtbaar worden in één getal.
Dat maakt BMI vooral een beschrijvende maat, geen verklarende. Het kan iets zeggen over risico op groepsniveau, maar het verklaart niet waarom iemand zich voelt of functioneert zoals hij of zij doet.
En juist daar ligt de beperking wanneer BMI wordt gebruikt als individueel kompas. Niet omdat het fout is, maar omdat het onvolledig is.
Dat roept een logische vraag op: als BMI zoveel beperkingen heeft, waarom wordt het dan nog steeds gebruikt?
Het korte antwoord is dat BMI vooral goed werkt op populatieniveau.
Grote studies laten zien dat BMI samenhangt met risico op ziekte en sterfte wanneer je naar grote groepen mensen kijkt [1]. Binnen die context is het een bruikbare maat: snel, goedkoop en eenvoudig toe te passen.
Daarnaast is BMI nooit bedoeld als individuele diagnose, maar als eerste screening. In de praktijk wordt het vaak gecombineerd met andere informatie, zoals middelomtrek, bloedwaarden en leefstijl.
Het probleem ontstaat wanneer die context verdwijnt.
Wanneer een maat die bedoeld is voor groepen, wordt gebruikt als oordeel over een individu. Of wanneer het getal los wordt gezien van gedrag, omgeving en functioneren.
Vanuit een functionele benadering van gezondheid wordt dat verschil duidelijk. Waar BMI iets zegt over statistisch risico, zegt het weinig over hoe iemand daadwerkelijk functioneert. Niet over energie, niet over herstel, en niet over de mate waarin gedrag vol te houden is.
Daarmee blijft BMI bruikbaar, maar alleen binnen de juiste context. Als grove indicator, niet als volledig beeld.
Wat daarbij vaak over het hoofd wordt gezien, is dat vetpercentage en lichaamsgewicht niet hetzelfde zijn.
Gewicht is de optelsom van meerdere componenten: vetmassa, spiermassa, botmassa, organen en lichaamswater. Een verandering in gewicht zegt daarom niets over wát er precies verandert.
Gewichtsverlies kan bestaan uit vetmassa, maar ook uit vetvrije massa, zoals spierweefsel en vocht. Onderzoek laat zien dat de samenstelling van gewichtsverlies sterk afhankelijk is van factoren zoals voeding, eiwitinname, training en slaap [11].
Dat betekent dat twee mensen met hetzelfde gewichtsverlies een totaal verschillend resultaat kunnen hebben in lichaamssamenstelling.
Het omgekeerde geldt ook. Het is mogelijk dat lichaamsgewicht stabiel blijft, terwijl vetmassa afneemt en spiermassa toeneemt. In dat geval verandert het lichaam zichtbaar, zonder dat het getal op de weegschaal veel beweegt.
Vanuit dat perspectief wordt duidelijk waarom gewicht alleen een beperkte maat is. Het zegt iets over de totale massa, maar niet over de verdeling daarvan.
En juist die verdeling bepaalt in veel gevallen meer over functioneren, gezondheid en uiterlijk dan het gewicht zelf.
Vetpercentage voegt daarin meer informatie toe, omdat het onderscheid maakt tussen vetmassa en vetvrije massa. Toch blijft het een vereenvoudiging.
Het lichaam bestaat uit meerdere componenten, waaronder spiermassa, botmassa, organen en lichaamswater. Veel meetmethoden reduceren dit tot een tweedeling.
Daarnaast is vetverdeling belangrijk. Visceraal vet hangt sterker samen met cardiometabole risico’s dan subcutaan vet [2].
Ook hier geldt dat er geen universeel “gezond” getal bestaat. Een vetpercentage wordt pas betekenisvol wanneer je het koppelt aan functioneren, herstel, energie en gedrag.
Een gezond vetpercentage is geen vast getal en geen eindpunt.
Het is een zone waarin het lichaam functioneert, waarin gedrag vol te houden is en waarin energie, herstel en participatie samenkomen.
BMI en vetpercentage kunnen richting geven, maar missen context.
De relevante vraag is daarom niet welk getal je moet bereiken.
De relevante vraag is of de manier waarop je leeft leidt tot een lichaamssamenstelling die je kunt volhouden, zonder dat het ten koste gaat van gezondheid, herstel, gedrag en functioneren.
En als het doel tijdelijk is, of je begrijpt wanneer het een fase is en wanneer het een leefstijl wordt.
[1] Global BMI Mortality Collaboration. Body-mass index and all-cause mortality. Lancet. 2016.
https://doi.org/10.1016/S0140-6736(16)30175-1
[2] Després JP. Body fat distribution and cardiovascular risk. Circulation. 2012.
https://doi.org/10.1161/CIRCULATIONAHA.111.067264
[3] Jayedi A et al. Body fat and all-cause mortality. Int J Obesity. 2022.
https://doi.org/10.1038/s41366-022-01165-5
[4] Schoenfeld BJ et al. Accuracy of BIA vs DEXA. JSCR. 2018.
https://doi.org/10.1519/JSC.0000000000002254
[5] Bedogni G et al. Limitations of BIA. Eur J Clin Nutr. 2013.
https://doi.org/10.1038/ejcn.2012.150
[6] Nana A et al. DXA variability. Med Sci Sports Exerc. 2012.
https://doi.org/10.1249/MSS.0b013e31824f8a2b
[7] Toombs RJ et al. DXA precision. Obesity. 2012.
https://doi.org/10.1038/oby.2011.331
[8] Tasali E et al. Sleep extension and energy intake. JAMA Intern Med. 2022.
https://doi.org/10.1001/jamainternmed.2021.8098
[9] Spiegel K et al. Sleep restriction and appetite. Ann Intern Med. 2004.
https://doi.org/10.7326/0003-4819-141-11-200412070-00008
[10] Broussard JL et al. Sleep loss and insulin sensitivity. Diabetes. 2012.
https://doi.org/10.2337/db11-1169
[11] Nedeltcheva AV et al. Sleep and body composition. Ann Intern Med. 2010.
https://doi.org/10.7326/0003-4819-153-7-201010050-00006
[12] Hill DC et al. Stress and eating behaviour. Health Psychol Rev. 2022.
https://doi.org/10.1080/17437199.2021.1923406
[13] Huber M et al. How should we define health? BMJ. 2011.
https://doi.org/10.1136/bmj.d4163
[14] Deci EL, Ryan RM. Self-determination theory. Can Psychol. 2008.
https://doi.org/10.1037/a0012801
[15] Fredrickson BL. Broaden-and-build theory. Am Psychol. 2001.
https://doi.org/10.1037/0003-066X.56.3.218
[16] Nuttall FQ. Body Mass Index: Obesity, BMI, and Health. Nutrients. 2015.
https://doi.org/10.3390/nu7020427